*
iedere donderdag om 21.10 uur op NPO 2

'Onderwijsvernieuwing zonder onderzoek is experimenteren met kinderen'

Leestijd: 5 minuten

‘Goed onderwijs legt de basis voor een gezonde en succesvolle samenleving. We blijven daarom investeren in het verder verbeteren van ons onderwijs en onderzoek’, zegt het regeerakkoord. “Alleen op het laatste gedeelte heeft het vorige kabinet juist fors bezuinigd. We beginnen nu de rekening te betalen. Onderwijsondersteuning is totaal ingestort”, zegt hoogleraar Rob Martens van de Open Universiteit.

Zijn specialisme is onderwijsvernieuwing, motivatieprocessen en docentprofessionalisering. Martens is voorstander van de vrijheid van onderwijs die we in Nederland hebben. Maar niet de manier waarop het nu is ingericht. “Zonder onderzoek is er geen bewijs wat wel en niet werkt. Je experimenteert met kinderen.”

Liberale wetgeving
In Nederland hebben we de meest liberale wetgeving ter wereld als het gaat om het opstarten van een nieuw type school. Iedereen met een bepaalde geloofsovertuiging of opvoedingsidealen mag een nieuwe methode starten. In de praktijk zijn er wel allerlei eisen waaraan je moet voldoen en dat is volgens Martens niet zo makkelijk als het lijkt. Dat neemt niet weg dat we in vergelijking met andere landen van oudsher heel liberaal zijn in Nederland.

Een school beginnen zonder onderzoek
De bekende opiniepeiler Maurice de Hond ziet de toekomst van het onderwijs door de gedigitaliseerde wereld anders voor zich. Hij richtte onder de naam O4NT (Onderwijs voor een Nieuwe Tijd) de zogenoemde iPadscholen op. In de ZEMBLA-uitzending ‘Ondernemer in Onderwijs’ is te zien dat er al snel problemen ontstonden. Veelal hadden die met geld te maken.

Martens vindt dat onderwijs met de tijd moet meegaan en noemt het O4NT ‘een sympathieke en relevante poging’. “De werkelijkheid voor de kinderen van nu is een digitale wereld. We moeten ze daarop voorbereiden.” Maar de problemen rondom de O4NT-methode verbazen hem niet. “Hoe kan het dat iemand dertig scholen begint zonder dat er zorgvuldig onderzoek omheen zit?”

Een fractie van het totale budget
Het budget voor onderzoek naar onderwijs bestaat uit 15 miljoen euro per jaar. Daarnaast zijn er nog wat Europese subsidies en instituut gebonden projecten. De som is een fractie -ongeveer 1 promille- van het totale onderwijsbudget van ruim 35 miljard euro. Veel te weinig voor een sector waarin honderdduizenden mensen werkzaam zijn, vindt Martens. “Het is alsof we een klimaatverandering zien aankomen en daarom voor miljarden de dijken verhogen, maar ondertussen niet kijken of die dijken wel goed werken.”

Door bezuinigingen zijn twee van de drie pedagogische centra die beginnende scholen begeleiden failliet. Het resultaat van een volgens Martens ‘draconische bezuiniging die in 2013 is ingezet’. Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) bepaalt welke onderwijsonderzoeken gefinancierd worden. Martens: “In de praktijk wordt ongeveer negentig procent van de aanvragen voor onderwijsonderzoek afgewezen. Dat is heel hoog in vergelijking met andere sectoren.”

Een oorverdovende stilte
Te weinig onderzoek leidt volgens Martens tot ongefundeerde ‘zwartwit-discussies’: “Iemand bedenkt een nieuwe methode en er ontstaat geruzie. Iedereen heeft een mening en het wordt karikaturaal. Dat zag je ook bij de iPadscholen. Voorstanders verwerpen traditioneel onderwijs en  maken het haast belachelijk. Tegenstanders omschrijven vernieuwend onderwijs als veredelde speeltuinen. Iedereen heeft een uitgesproken mening, maar niemand heeft echt onderzocht wat goed werkt en wat niet. Als je daarnaar vraagt in Nederland klinkt er een oorverdovende stilte.”

Inspectie
De inspectie komt pas langs als de beginnende school al is opgericht . Ze kijkt naar de resultaten van de citotoets en taal. Naar de instroom en uitstroom van leerlingen en scores. “Een school krijgt een predicaat zoals ‘zwak’ of ‘goed’. Er wordt niet naar de uitvoering van een nieuwe methode gekeken. Naar wat goed gaat en wat niet werkt en wat een school nodig heeft om de uitvoer van een methode te verbeteren.”

De oplossing
De oplossing is wat Martens betreft dat wetenschappers samen met de initiatiefnemer een nieuw concept onderzoekt. “Niet zozeer om het goed of af te keuren. Maar om samen aan de slag te gaan en mee te denken als een kritische vriend. Bijvoorbeeld door vragen te stellen als ‘Wat is je concept en waarom wil je dat?’ en ‘je hebt met deze methode een grote kans dat je een hele bijzondere leerlingenpopulatie trekt die extra aandacht nodig heeft, heb je daarover nagedacht?’, je voorkomt op die manier ook dat een school tegen beginnersfouten aanloopt.”

Daarnaast pleit Martens voor een lagere werkdruk voor scholen en leraren zodat ze tijd hebben om eens in de zoveel tijd samen met onderzoekers te kijken naar hun methode en naar wat werkt. “In andere landen gaan scholen wel twee weken per jaar met onderwijsonderzoekers om tafel zitten. We krijgen veel aanvragen van scholen om onderzoek te doen en samen te werken. Maar er is geen tijd en geld.”

Den Haag moet wakker worden
Dat is het pijnlijke aan de hele situatie, vindt Martens. De wil is er en de ideeën zijn er, zowel aan de kant van de schoolbesturen en leraren, als de onderzoekers. “Het is een van de belangrijkste investeringen voor de toekomst. Het wordt tijd dat er iemand in Den Haag zich achter de oren krabt en zegt: ‘Hoe kan het nou dat er voor dit grote probleem zo’n idioot klein budget is?’ Want wat het verlies van het talent van één kind betekent voor de maatschappij, is niet uit te rekenen en uit te leggen.”

 Volg ZEMBLA ook op LinkedIn